Over in eindeloze cirkels (ver)dwalen en thuiskomen

Toen ik hem opbelde met de vraag of hij mij kon ophalen, zei hij alleen maar: “jij hebt echt een talent voor jezelf in de nesten werken.” Ik knikte met mijn hoofd, maar hij zag dat natuurlijk niet. Hij zei dat als ik mijn locatie doorstuurde dat hij me zou komen halen, maar hij moest wel even iets voor zijn werk afmaken. Met ernstige stem zei hij: “dus dat kan nog wel een uur duren, heb je nog voldoende water?” Ik knikte weer, maar hij kon dat natuurlijk ook niet zien. Dus zei hij geïrriteerd: “heb je genoeg waterrr?”, hij rolde de ‘r’, hij kan dat, ik niet. Hij weet dat ik dat niet kan, want toen we samen een cursus Spaans deden, kwamen we daar al vrij snel achter. Hij vindt dat grappig, dat ik dat niet kan, en hij maakt daar graag grapjes over. Soms is dat grappig, maar vaker is dat niet zo grappig. Ik zei uiteindelijk “ja, dat heb ik.” Ook al had ik geen water meer. Ik had tijdens mijn tocht al de helft opgedronken, en voordat ik hem ging bellen had ik de resterende halve fles mijn mond ingegoten. Mijn mond wordt namelijk altijd heel droog als er woorden uit moeten komen die te maken hebben met hulp vragen.


Ik had eerder die middag besloten om te gaan hardlopen, een halve marathon. Ik kwam tot en met dertien kilometer, daarna gaven mijn benen op. Ze zwalkten, alsof ik ongetraind in de bergen was gaan lopen. Ik heb nog twee kilometer lopen zwalken. Opgeven is niet mijn ding, dat is hetzelfde als verliezen. Uiteindelijk stond ik stil tussen de weilanden in de middle of nowhere. Er was in de verste verte geen boerderij te bekennen. Er was enkel gras, ontelbaar veel bomen en zand. Ik vind dat normaal altijd fijn, om door de leegte te rennen, echter stilstaan in diezelfde leegte bevalt me minder. Stilstaan is als vastzitten, ik vind dat naar, want dat is als controleverlies, dat is onvrijwillig. En als ik ren, dan fladderen mijn gedachten rond als een zwerm vogels, vrij en tegelijkertijd toch gecontroleerd. Mijn lichaam vult elke keer een stukje van de ruimte. En niemand die kan zeggen dat ik te veel ruimte inneem, want ik beweeg: ik neem het op en geef de ruimte weer terug. Zo zit ik niemand in de weg, maar ook vooral mezelf niet. Het is alsof mijn hoofd en hart pas echt op één lijn komen te liggen als ik beweeg. Ze zeggen dat ik te veel denk, dus daarom moet ik ook altijd snel en veel bewegen, anders houd ik mezelf niet bij. 


Mijn knie doet pijn, het is alsof er net een mes in is gestoken. Ik huil hardop, maar niemand hoort mij, tenzij de mieren mij kunnen horen. Onder het houten bankje zit een enorme mierenhoop. Het bankje zelf is net zo stabiel als ik: het hout is bijna weggerot, waardoor de helft van de rugleuning nu fungeert als extra poot: het steunt op de grond. En in de beschutting van die voormalige rugleuning, leunt nu een enorme mierenhoop. Ik heb ooit gelezen dat mieren kunnen horen door middel van trillingen. Door bijvoorbeeld hun kaken en hun buik tegen elkaar aan te schuren komt er een trilling vrij, die de andere mieren oppikken. Communicatie is essentieel voor mieren, zo kunnen ze overleven, dat stond op een site over mierenbestrijding. Misschien dat het mierenprobleem in ons huis daarom zo hardnekkig was, die mieren communiceerden met elkaar elke keer een nieuwe route. En wij, mensen, waren uiteraard geen onderdeel van dat communicatieproces. Die mieren kunnen mij vast niet horen huilen nu, zij horen elkaar, en dat is meer dan genoeg. 


Mijn vriend en ik kunnen elkaar ook niet altijd even goed horen, alsof we op een andere golflengte zitten. Dat is soms enigszins problematisch, omdat we allebei vaak vinden dat de ander niet goed communiceert. Maar we communiceren wel, alleen op een andere manier. Hij is direct, ik ben indirecter. Hij vindt mijn terughoudendheid onzinnig, maar hij bedoelt dat als een compliment. Want hij wil daarmee zeggen dat ik het verdien om meer ruimte op te eisen, om ook eens ergens te staan met mijn mening. Ik vind het goed dat hij soms te direct is, en zeg soms dat hij zou kunnen proberen om dingen wat minder direct te zeggen. Ik bedoel dat goed, want hij klaagt vaak over het feit dat mensen niet naar hem luisteren. En als hij dingen soms net anders zou brengen, dan heeft hij meer kans dat hij gehoord wordt. En ik vind dat hij dat verdient.


Wij communiceren eigenlijk heel veel, want wij kunnen uren praten. Hij vertelt en ik luister, en stel vragen. Dat werkt prima voor ons, ik kan uren naar hem luisteren. In het prille begin van onze relatie appten we nooit, maar we belden elkaar. Ik werd zelfs verliefd op zijn stem, hij ook op die van mij, al ging het hem meer om de woorden die uit mijn mond kwamen. Die vond hij altijd ‘interessant’ en ‘fantastisch’, “fantastisch gezet schat,” zei hij dan. Hij luistert nooit naar enkel het stemgeluid, en ik doe dat wel. Tegenwoordig, als we appen, dan stuurt hij spraakberichten. Zelfs als hij vraagt of ik toiletpapier kan meenemen uit de supermarkt, vind ik het altijd fijn om zijn stem te horen. Hij vindt mijn woorden niet altijd even prettig meer, steeds vaker zegt hij dingen als: "Wat zit je nou weer voor een onzin te praten?” Dat doet me soms pijn, want ik zeg niet heel veel. En als blijkt dat wat ik zeg ook onzinnig is, maakt dat mijn aversie tegen praten alleen maar groter.


Er is een kwartier voorbij, als ik in een rap tempo een donkere lucht zie naderen. Ik kan niet opstaan, dus er zit niets anders op dan de regenbui over te laten trekken. De vriend zou het weinig boeien, zo’n regenbuitje, “je kan toch thuis onder de douche,” zou hij zeggen. Hij vindt dingen nooit écht zwaar of stom. Hij ervaart wel ongemak, maar vindt dat nooit echt erg. Als hij iets wil kunnen, maar het nog niet kan, dan gaat hij door tot hij het kan, zo verlegt hij zijn grenzen. Ik wil niet zo vaak iets, ik sta daar nooit zo bij stil: bij wat ík wil. Maar ik denk vaak dat ik iets moet kunnen. En dan ga ik ook door tot ik het kan, zo ga ik altijd over mijn grenzen heen.


Dat ik op een bankje in de regen zit, bewijst maar weer hoe goed ik over mijn grenzen heen kan rennen. Ik had namelijk nog helemaal niet mogen rennen, maar ik moest van mezelf. Ik word namelijk gek van te lang binnen zitten. ‘“Zes weken rust,” had de dokter gezegd, dat zou me helpen met de vermoeidheid en de futloosheid. “Wat heerlijk, dat zou ik ook wel willen!” had mijn vriend tijdens het gesprek geroepen. Hij wilde wel rust nemen, maar ik moest rust nemen, ik wilde dat dus niet. Dat maakte de ervaring geheel anders. Het verplicht rust nemen voelde niet als een opluchting, want ik ben niet goed in niks doen, dat is voor mij een hele opgave. Als ik niks doe, dan voel ik me schuldig, en dan ga ik boodschappenlijstjes in mijn hoofd maken. En nadenken over wat ik allemaal zou moeten doen. Ik kom altijd gestrest uit een zogenaamde pauze. Pauzes zijn hard werken, werken om niet helemaal gek te worden. De vriend heeft hier geen last van, hij bedenkt hoogstens wat hij kan of wil doen. En meestal denk hij even niets. Sowieso, na 22.30 uur staat zijn hoofd vaak uit. Als ik dan aan hem vraag: “Waar denk je aan?”, dan zegt hij wel eens: “Niets,” en dat is dan ook echt zo. Terwijl bij mij om 22.30 uur het echte spektakel nog moet beginnen. 

Maar om überhaupt vanavond in mijn bed te kunnen belanden, moet ik hier van dit rot bankje weg te zien komen. De mieren hebben inmiddels besloten dat mijn lijf op de route zit. En ze lopen als een stel losgeslagen kleuters over me heen. Al schijnen mieren altijd hele strategische routes te nemen, dat heb ik ooit op een video gezien. De vriend is niet zo handig met strategische routes, of überhaupt planning. Hij ‘ziet wel’, maar vandaag hoop ik dat dat anders zal zijn. Die hoop vervaagt snel, ze glijdt door de regen van me af. Het wordt bevestigd door het belletje dat ik krijg: “Schat…”, hoor ik. En ik hoor ook de harde regen op de ruit van de auto klappen. Alsof de regen voor hem aan het klappen is: “goed gedaan vriend!” schreeuwt ze dan. 


Al heeft de regen zijn zicht weggeslagen, waardoor hij in een kuil is gereden. De auto staat nu vast in de modder. Gek is dat, dat zo’n niet vaste substantie iets volledig vast kan zetten: ‘moddervast’. Het is opmerkelijk dat iets zo glad kan zijn, dat je banden er geen grip op hebben. Zo blijf ik soms ook urenlang glibberen in mijn gedachten. “Sorry schat, het gaat nog wel wat langer duren…” schreeuwt hij. Hij is bang dat zijn stemgeluid niet boven het natuurgeluid uitkomt. Maar hij heeft zijn telefoon zo dicht bij zijn mond, dat ik hem luid en duidelijk kan horen. Ik grap dat ik nog wel even kan wachten, dat er genoeg water is. Hij lacht, hij vindt dat soort dingen grappig, dat weet ik. Hij weet niet dat ik dat weet, want hij is ook nu weer verrast: “ha, die is scherp van je”. “Scherper dan jouw zicht door je voorruit,” wil ik zeggen, maar ik doe het maar niet. Ik wil ook nog vragen of hij überhaupt heeft gedacht aan het gebruik van de ruitenwissers. Het zijn zelfs speciale ruitenwissers, we hebben er zelfs nog extra voor betaald toen we de auto kochten. Ik had geen idee wat er speciaal kon zijn aan een stel ruitenwissers, maar ik wilde maar geloven dat deze echt beter zouden wissen dan de standaardversie. Misschien wissen ze zelfs zo goed, dat ze zijn geheugen hebben gewist.


Soms heb je dat, dat je dingen na een tijdje niet meer weet of voelt. Dat valt me altijd op als je lang in de regen loopt (of zit, zoals nu), dat je het dan uiteindelijk niet meer voelt. Het gevoel van water op je huid wordt zo saai voor je zintuigen. Dat het gewoon stopt met een signaal doorgeven naar je hersenen: je voelt het niet meer. Soms zou ik willen dat dat ook zo zou werken bij gedachten, dat als je zo vaak aan iets denkt, dat je het dan niet meer voelt. Maar het probleem is natuurlijk dat gedachten niet puur zintuiglijk zijn, ze zitten al in je hersenen. Ze komen dus niet van buiten, zoals de regen. Het zijn de interne wolken in het universum van je eigen hoofd. En ik wen op een andere manier aan die wolken. Ik wen aan de frustratie die ik voel als ik denk aan alles wat er nog moet gebeuren. En ik geef de vriend ideeën om bijvoorbeeld eens wat op te ruimen, soms doet hij er iets mee, vaker niet.


Mensen zeggen altijd dat wij zo goed bij elkaar passen, omdat wij zulke tegenpolen zijn van elkaar. Alsof wij samen de hele wereld begrenzen. Hij als de Zuidpool, bestaande uit bevroren landmassa en oceaan. En ik als de Noordpool, bestaande uit bevroren oceaan, omringt door land. Wij zijn dus niet alleen geografisch tegenpolen, maar ook in substantie. Hij is vaster van structuur, minder onderhevig aan klimaatverandering. Op mijn continent stijgt de temperatuur twee keer zo hard als op de rest van de aardbol. Dat komt door het albedo-effect, het feit dat de smeltende ijskap steeds minder zonlicht kan weerkaatsen, omdat er minder wittig ijs is om licht te weerkaatsen. Ook de vriend is onderhevig aan het klimaat, maar gewoon ietsjes minder. Hoe dan ook, we vormen samen een ijskast voor de aarde, dat is een belangrijke functie. Want de aanwezigheid van deze ijskast verlengt de houdbaarheidsdatum van de aarde en haar bewoners. Soms voelt dat ook zo, dat onze relatie van levensbelang is. Alleen verlengen wij elkaars houdbaarheidsdatum. Ik kan namelijk niet zonder hem, en hij eigenlijk ook niet zonder mij. Al lijkt dat voor hem minder sterk te gelden, maar zonder mij zou hij niet zo ontzettend zichzelf kunnen zijn, tenminste, dat denk ik. Ik vertel mezelf graag dat wij elkaars wereld zijn. Omdat ik mezelf dan eigenlijk vertel dat ik wel degelijk een plaats mag innemen in de wereld.


Soms is het alsof we meer een ‘wij’ zijn dan twee individuen. ‘Ik’ plus ‘ik’ is ‘wij’. En twee keer 'ik' is ‘ons’. Er is bij ons, voornamelijk dat ‘ons’ waarin we onszelf bewegen als één. Het zit hem in hoe wij ons continu tot elkaar verhouden, alsof we versmolten zijn. En dat vooral ik daarin mezelf als ‘ik’ verlies. Dat als het maar ook een beetje heter wordt, als er spanning komt, dan smelt er weer wat van mijn ijskap. Onze relatie is net als elke relatie onderhevig aan factoren. Maar het is alsof ik door het albedo-effect, net een tikkeltje kwetsbaarder ben.


Zo hebben we al jaren een discussie over de boekenkast. De boekenkast bij ons thuis staat op alfabetische volgorde. Dat vond de vriend fijn, dan kan hij alles zo lekker snel vinden. Hij houdt van praktisch. Hij vindt dat geluk. Ik vind het oneerlijk voor de schrijvers met namen waarvan de letters achterin in het alfabet staan. Zij belanden stelselmatig op de onderste plank. Alsof je naam de plaats bepaald die je mag innemen. Idioot vind ik dat. Dat is net zoals mensen die atypisch Nederlandse achternamen hebben, en die dan geen baan kunnen krijgen. Niet door wat er op hun CV staat, maar door hun naam.

Ik heb het liefste dat alle boeken door elkaar staan. Het gaat ook niet om de naam van de auteur, maar het gaat om de inhoud van het boek. Hoe die me soms bij de kladden grijpt. Dat zijn de boeken die ik zoek. Ik vind dat geluk. De boeken die magistrale woordcombinaties voor m’n ogen tevoorschijn kunnen toveren. En hoe die dan mijn brein bereiken, om tot slot als tranen er weer uit te komen. Alsof ze de geest schoon kunnen spoelen. En alsof ik dan pas echt weet dat ik besta, omdat ik het voel. En dan voel ik ook geluk. Het zijn die boeken, die op ooghoogte moeten staan. Dat ik soms enkel een titel van een boek hoef te lezen, en denk: ach ja, het is al goed. De vriend vindt dat klinkklare onzin. Hij zegt dat ik te moeilijk doe, te sentimenteel. Dat als ik een boek zou schrijven dat het een boek zou zijn dat niemand wil lezen: te moeilijk, te sentimenteel en te lang. Het deed pijn toen hij dat zei. Het is ook oneerlijk, want als hij een boek zou schrijven dan zou het flinterdun zijn. Dunner dan de spierballen die hij probeert te trainen in de sportschool. Hij zegt dat mijn boek te zwaar zou zijn, en dat dat onhandig is. Ik zei dat dat voor hem niet moest uitmaken omdat hij toch heel veel krachttraining doet in de sportschool. Bovendien, zei ik dat ik mijn boek dan zou laten bedrukken met het kleinste lettertype en op het meest dunne papier. Hij vond dat ‘briljant’ klinken. 


Kleine letters, kleine nuances, die niemand leest, zo voelt mijn levensverhaal soms. Ik lees soms een zwaar existentialistische boek, zoals ‘Nooit Meer Slapen’ van Willem Frederik Hermans. Zo’n boek is zo goed in zijn genre te plaatsen, dat het mij haast een soort controlegevoel geeft. Het is ergens zo voorspelbaar, omdat de hoofdpersonen allemaal op dezelfde manier zijn opgebouwd. En ze zitten altijd vast in van die eenzame settingen, gedoemd om te mislukken. Je hoeft je niet af te vragen of ze mislukken, maar enkel hoe ze mislukken. Vaak vraag ik me af of ik ook zo ben geschreven. Mijn hele gelovige oma zegt dat het kan, dat God een plan voor je heeft. En dan denk ik aan Marieke Lucas Rijnevelds roman ‘De Avond is Ongemak,’ en hoop ik maar dat mijn verhaal niet zo hoeft te eindigen. Ik word er alleen vaak aan herinnert, aan dat mogelijke dramatische einde. Want dat boek staat vol op ooghoogte in de boekenkast, komt door die achternaam. 


Inmiddels komt de vriend aanrijden in onze auto. We hebben er één, dat laat al zien hoe we met elkaar versmolten zijn: één huis, één auto, één liefde, of zoiets. Ik vind het vreemd, hoe wij zo één zijn, maar hoe ik me toch vaak zo eenzaam voel. Enkel de eenzaamheid delen we niet. Ik denk dat het komt door mijn hoofd. Hoe ik daar altijd in verdwijn. Soms als ik te ver wegzak in gedachten, dan ben ik echt even onbereikbaar. Dan hang ik ergens aan de binnenkant van mijn brein. En dan zegt de vriend altijd dat ik wel dood lijk. Maar hij zegt het altijd zo spottend, dat ik me afvraag hoe hij zou reageren als ik echt dood zou zijn. Hoe hij dan naar me zou kijken. Niet dat ik dat ooit kan weten. Want als dat zou gebeuren, dat ik doodga, dan krijg ik zijn blik natuurlijk niet mee. En misschien gebeurt het wel nooit, misschien word ik wel ouder dan hij. De tijd zal het ons leren.


Ik ben in ieder geval nu nog niet dood, en de vriend ook niet. En dat wordt even bevestigd door de vriend, als hij de auto stopt en het raampje naar beneden draait: “HOLY F*CK, IK BEN ER HOOR, IK HEB DEZE HELSE TOCHT GEWOON OVERLEEFD.” Soms lijkt het alsof praat hij in hoofdletters, zo vult hij de pagina’s van zijn verhaal. Ik vind dat ook leuk aan hem, dat ongefilterde enthousiasme. Maar doordat het raampje naar beneden zit, worden binnen en buiten niet meer van elkaar gefilterd. Het regenwater stroomt de auto binnen, als een kraan die je iets te hard hebt open gedraaid. Ik duik de auto in, en beland op de passagiersstoel. Om de vriend vervolgens te sommeren het raampje eens dicht te draaien. Gordel om, ramen dicht, ik ben niet langer alleen, ik zet me weer vast in het voertuig dat van ons is. Ik zucht en denk: ja, ik ben weer ‘ons’.


Als ik me echt realiseer dat ik in de auto zit, begin ik te huilen. Hij vindt dat altijd vervelend, als ik zo maar begin te huilen. Ik snap dat wel. Het is ook vervelend. “Wat ís er dan nu nog? Ik ben er toch?!”, zegt hij. “Ik weet het niet, ik heb mezelf weer in de nesten zitten denken. Ik voelde me verloren op dat bankje, maar eigenlijk ben ik vooral verloren in mezelf," Zeg ik stotterend. Hij snapt het niet helemaal, maar probeert me bemoedigend toe te spreken. Hij heeft het over dat ik niet zo breekbaar moet zijn. In het niet breken zit volgens hem kracht. Terwijl ik denk dat er heel veel kracht voor nodig is, om te kunnen breken. Alsof je een plankje doormidden moet slaan, zoals bij die verschrikkelijke rots en water trainingen waar mijn moeder me vroeger naartoe stuurde. Daar was een hoop kracht voor nodig, en ik kan het weten, want ik brak daar niet alleen het plankje, maar ook mijn arm. ‘Niet breken’ is als staren naar dat plankje.


Terwijl we terugrijden naar huis, begint het te schemeren. De lucht wordt langzaam roder. Ik erger me soms aan de zonsondergang. ‘Weer een dag voorbij’ denk ik dan. ‘F*ck.’ Ik zie de schoonheid er niet van in. Eindes doen altijd pijn. Alsof de dag een lijn is, met een begin en een einde. En dat je bij het bereiken van het einde in een zwart gat valt. Maar voordat je dat gat invalt, krijg je een soort waarschuwing van de lucht, alsof de lucht een rood stoplicht is. Maar je kan het vallen niet tegenhouden, dus moet je je overgeven aan de tijd. Overgeven voelt als opgeven, ik haat dat. Dus zo’n ondergang van de zon achter de streep van de horizon, wordt altijd gevolgd door een soort ondergang van mezelf in mijn hoofd. Het is alsof in de donkere nachten de kleur wegvaagt van mijn gedachten. Dan is alles zwart-wit en lijkt de wereld nog veel intenser en enger dan overdag. Ik vind dat vaak letterlijk doodeng, alsof ik ‘s nachts wordt geconfronteerd met ‘leven’ en ‘dood’. Die twee staan net zo tegenover elkaar als zwart en wit. En dan vraag ik me vaak af of ik de dood als iets zwarts beschouw. Steeds vaker heb ik namelijk het gevoel dat het leven namelijk meer zwart is. Alsof het leven zwaarder voelt, dan de dood ooit zou kunnen voelen. Wie dood is voelt niets, en dat is dan misschien ergens iets heel lichts. Als ik ooit doodga dan wil ik dat iedereen wit draagt of iets kleurrijks op mijn uitvaart, alles mag, behalve zwart. Het leven voelt al te zwart, dat denk ik dan. Maar ik wil eigenlijk helemaal niet aan donkere dingen denken. 


De vriend denkt niet aan donkere dingen. Hij zei dat hij laatst dacht dat hij binnenkort wel wil trouwen. En ik denk dat ik dat ook wel wil. Voor ik doodga, wil ik de witte jurk van de eeuwige trouw dragen. Als we trouwen dan zweren we die eeuwige trouw en liefde, dat is de grootste oneindigheid die er bestaat in het leven. En als ik dan ooit doodga, dan wil ik in diezelfde kleur het leven verlaten, want dan vormt de kleur een cirkel met het begin: toen ik gedoopt werd in een witte doopjurk. Misschien bereik ik daarmee een soort oneindigheid. Alsof de doop een viering is van het begin van het leven; de bruiloft een viering van de eeuwigheid van liefde in het leven; en de uitvaart een viering van het einde van het leven. Het verbindende element is dan het vieren van het leven, alsof het oneindig is. En mijn lichamelijke bestaan zet ik hopelijk voort als ik ooit kinderen mag krijgen, dan ontstaat er een nieuw lichaam uit mijn eigen lichaam. Dan geef ik het leven door, zoals het mij ook is gegeven. En dan is het leven een cirkel in plaats van een rechte lijn. En dan is de rode kleur van de zonsondergang, de opgang van de verloren liefde. Alsof ze die cirkel inkleurt met de meest felle tinten rood. Om je elke avond te vertellen dat het er nog is: de liefde leeft nog, ook als de geliefden vertrokken zijn. De liefde kent enkel een begin, maar geen einde. Dat stelt me gerust, want ik haat verliezen.


Als we thuiskomen vullen we onze lege magen met een maaltijd. Om vervolgens in bed te kruipen. En als de vriend al vertrokken is naar dromenland, verdwaal ik nog even in de hersenkamers van mijn eigen hoofd. En dan zoek ik naar mijn huis, maar daar lig ik al in. In het stenen huis lig ik, en in m’n lichamelijke huis voel ik me gevangen. Het is alsof ik mijn lichaam niet vrijwillig bewoon. Als ik mijn lichaam voel, dan voel ik altijd pijn. Misschien is dat omdat ik altijd over mijn grenzen moet rennen, om iets te voelen. En als ik binnen die grenzen zit, dan ben ik me gewoon niet bewust van het feit dat ik een lichaam heb. Dan ben ik te druk met denken. Het is alsof mijn ribbenkast de tralies van mijn hart vormen. En mijn ogen het enige raam naar de buitenwereld zijn. De enige weg naar buiten is via mijn hoofd. De gedachtewereld is soms beter om in te huizen dan de echte wereld. En zo verdwijn ik soms even in mijn hoofd, maar dan bewoon ik mijn lijf niet meer. Dus dan voel ik me alsnog verdwaald. Verdwaald in én met mezelf. 


Mijn vriend is altijd thuis in zijn huis, en ik ben altijd op zoek, zo is dat gewoon. En soms zoek ik mijn thuis bij hem. En dat lukt tot op zekere hoogte, want soms is het alsof wij bijna kunnen versmelten tot één, dan is er alleen een ‘ons’. Ik vind dat fijn, alsof er maar één wereld bestaat als ik word omheind door zijn armen. Maar ik weet ook dat dat eigenlijk niet kan. Er zijn altijd twee lijven, twee harten, twee hoofden, twee werelden. Er zijn twee mensen die moeten bestaan voor er überhaupt iets kan versmelten. Alsof zelfs tussen twee mensen een onmetelijke afstand kan zitten, ook als je naast elkaar in bed ligt. Ook als je maar één auto hebt, ook als je elkaar perfect lijkt aan te vullen, ook als je hetzelfde stenen huis bewoond. Je moet namelijk eerst je eigen huis bewonen, om elkaar uit te kunnen nodigen en om samen te kunnen komen. Maar bovenal om elkaar altijd te kunnen vinden, omdat je altijd bij jezelf te vinden bent. Ik denk dat je pas dan elkaar kan aanvullen.


Misschien moet ik, de volgende keer als ik weer verdwaal, mezelf maar eens gaan bellen. Even thuiskomen in mijn eigen lichaam.

Heb je naar aanleiding van dit korte verhaal een vraag of een opmerking?

Dan mag je altijd een berichtje via Instagram DM sturen. Liefs, Jinte


Dit verhaal werd eerder gepubliceerd op www.klassepost.nl